Universiteit Leiden Universiteit Leiden | Bij ons leer je de wereld kennen.

Brein en gedrag in ontwikkeling

Onderzoek

Slimmer leren voor betere kansen

Hoe meer mogelijkheden een kind krijgt om te leren en zich te ontwikkelen, hoe sterker zijn of haar positie in de maatschappij zal zijn. De Universiteit Leiden onderzoekt hoe de hersenen informatie oppakken, en hoe leerprocessen positief kunnen worden beïnvloed.

Vanaf je geboorte is je brein de 'motor' achter je leervermogens en je gedrag. Diverse complexe processen in de hersenen bepalen onder meer hoe je informatie verwerkt en problemen oplost, hoe goed je je kunt concentreren, en hoe je je opstelt ten opzichte van anderen. Leervermogen en gedrag zijn op hun beurt weer enorm belangrijk voor de manier waarop kinderen en volwassenen zich ontwikkelen, en bepalend voor de plek die ze zich verwerven in de maatschappij.

Hoe meer we weten over hoe onze hersenen werken, hoe meer inzicht we hebben in leervermogens en gedrag. Die inzichten kunnen gebruikt worden om mensen vanaf jonge leeftijd te helpen in hun ontwikkeling.


Diverse invalshoeken
Wetenschappers onderzoeken leerprocessen van de mens vanuit de Sociale Wetenschappen. Ze doen dit voor alle levensfasen, maar het onderzoek is met name gericht op kinderen en jongvolwassenen. Het onderzoek vindt plaats vanuit een breed pallet aan invalshoeken. Zo is er veel aandacht voor de fysiologie van leren: hoe verwerken onze hersenen informatie? En hoe vertalen de processen in de hersenen zich in gedrag van kinderen en jongvolwassenen?

Maar niet alleen het lerende kind staat in de schijnwerpers; er is in het onderzoek ook volop aandacht voor degenen die hen lesstof moeten aanbieden, namelijk docenten en scholen. Hoe kunnen zij hun doelen het beste bereiken?

Het onderzoek naar de ontwikkeling van het lerende kinderbrein is ook van belang voor andere doeleinden: hoe meer een kind leert en zich ontwikkelt, hoe meer hij of zij in staat is om weloverwogen over zaken mee te beslissen, en hoe beter professionals hem of haar bij besluitvorming kunnen betrekken. De rechtspositie van kinderen zou meer moeten aansluiten op hun vermogens. Juristen bekijken onder andere in welke gevallen kinderen (mede)zeggenschap kunnen krijgen over medische beslissingen, en hoe kinderen het beste kunnen worden gehoord in beslissingen die hen raken.


Onderzoek thuis en in de klas
Het onderzoek van de Universiteit Leiden staat middenin de maatschappij. Niet alleen worden kinderen en volwassenen uitgenodigd om mee te doen aan onderzoek in de diverse laboratoria van de universiteit. Vaak zijn de onderzoekers ‘in het veld’ te vinden: bij mensen thuis, of in de klas. Met de inzichten die ze zo opdoen, bieden ze kinderen en volwassenen kansen om effectiever te leren en zich te ontwikkelen. Dat geeft hen een belangrijke basis voor een sterke positie in de maatschappij.


Faculteit der Sociale Wetenschappen
Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Nascholing (ICLON)
Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Het puberbrein

Fundamentele inzichten in de werking van het puberbrein helpen docenten en ouders om adolescenten beter te laten functioneren. Hoogleraar Eveline Crone bestudeert de uitvoerende functies - zoals planning en gedrag - van de jongvolwassen hersenen.


Van rebels tot ongeïnteresseerd: het gedrag van pubers zorgt bij ouders en docenten voor behoorlijk wat kopzorgen, en hun leerprestaties hebben er soms behoorlijk onder te lijden. Veel van dat gedrag kan verklaard worden door gedetailleerd hersenonderzoek. Eveline Crone en haar onderzoeksgroep kijken naar de zogeheten uitvoerende functies (zoals planning en gedrag), die tot uiting komen in de prefrontale cortex. Crone: 'We geloven dat die functies ontzettend belangrijk zijn voor leren, soms nog belangrijker dan of je iets goed kunt onthouden. De functies vormen je gereedschap om een probleem aan te pakken. Wat we hebben ontdekt, is dat die functies zich gedurende een vrij lange periode ontwikkelen. Maar de lengte van dat proces verschilt per functie. Je werkgeheugen bijvoorbeeld, wat je helpt om opdrachten te onthouden, ontwikkelt zich tot je twintigste. Het vermogen om je gedrag op tijd te kunnen remmen, ontwikkelt zich al in de kindertijd.'


Pubers kunnen leren van negatieve feedback
Crone is steeds meer te weten gekomen over de executieve functies in het brein van pubers, en hoe die reageren op bepaalde input. Een van haar meest opzienbarende ontdekkingen, is dat de hersenen vanaf de pubertijd gaan leren van negatieve feedback. Waarbij in dit geval met 'positief' en 'negatief' wordt bedoeld: deze methode om een probleem op te lossen werkte wél, een andere aanpak werkte níet. Crone: 'Jonge kinderen leren voornamelijk van positieve feedback, ze onthouden de dingen die goed gingen. Naarmate jongeren ouder worden, gaan ze meer hypothese-

toetsend leren en kijken welke aanpak het beste werkt bij het uitvoeren van een taak. Dit inzicht is veelvuldig opgepikt door de onderwijssector.' Crone begeleidde dit onderzoek als promotor van haar collega Sabine Peters. Crones collega Berna Güroğlu duikt momenteel verder in het feedback-onderzoek. Zij wil weten of pubers beter leren van een goede vriend, van een 'neutraal' iemand, of van iemand die ze niet aardig vinden. De uitkomsten van dit onderzoek hebben een heel praktische toepassing op scholen; leraren zouden een veel beter inzicht kunnen krijgen in de beste samenstelling van groepjes als leerlingen van elkaar moeten leren.

Jonge kinderen leren het beste van positieve feedback, maar pubers kunnen ook leren van negatieve feedback, zoals bijvoorbeeld van een experiment dat mislukt. Zij hebben een grotere capaciteit om onderzoekend te leren.

Jonge kinderen leren het beste van positieve feedback, maar pubers kunnen ook leren van negatieve feedback, zoals bijvoorbeeld van een experiment dat mislukt. Zij hebben een grotere capaciteit om onderzoekend te leren.


Het werkgeheugen kun je trainen, creativiteit niet
Verder ontdekte Crone dat cognitieve trainingen bij pubers heel effectief zijn: na zes weken training verbetert het werkgeheugen van pubers. Voor andere processen, zoals creativiteit, is een training helemaal niet effectief. 'We vroegen hen dan bijvoorbeeld om ongebruikelijke toepassingen voor voorwerpen, zoals een baksteen of een fietspomp, te bedenken. Hier bleek dat jongeren dat op zich wel kunnen, maar dat ze na de training niet heel veel beter worden. Het lijkt er dus op dat je voor creativiteit gewoon aanleg moet hebben.'


Op zoek naar het beste moment om te leren
Eveline Crone kreeg in 2017 een Spinozapremie, de hoogste Nederlandse wetenschappelijke onderscheiding, om haar werk voort te zetten. Ze ontvangt 2,5 miljoen euro aan onderzoeksgeld, dat ze naar eigen inzicht mag besteden aan onderzoek. 'In de komende tijd willen we onder meer gaan kijken naar de timing van interventies om vaardigheden bij te brengen, zoals 

het aanleren van een taal.

We weten uit ervaring al dat jonge kinderen heel snel een taal kunnen leren. Nu is de vraag: zijn er, voor het trainen van het werkgeheugen of het leren plannen, ook extra ontvankelijke periodes aan te wijzen? Die kennis kan weer implicaties hebben voor schoolsystemen en het tijdstip waarop ze bepaald lesmateriaal aanbieden.' Ook wil Crone meer onderzoek doen naar de rol van sociale achtergrond bij het leren: worden jongeren sneller volwassen als ze een moeilijke achtergrond hebben, of beperkt die achtergrond hen juist bij het leren?

 

Door inzicht te krijgen in wanneer een kind het beste bepaalde leerstof opneemt kunnen schoolsystemen verbeterd worden.

Door inzicht te krijgen in wanneer een kind het beste bepaalde leerstof opneemt kunnen schoolsystemen verbeterd worden.

Braintime is een groot en uniek onderzoeksproject van Eveline Crone, waarin van 2011 tot 2015 de hersenontwikkeling van bijna 300 jongeren over langere tijd is gevolgd. Het onderzoek spitst zich toe op leren, risicogedrag en vriendschapsvorming.

 

Brain and Development Research Centre
Instituut Psychologie, sectie Ontwikkelings- en onderwijspsychologie
Spinozawinnaar Crone wil impact social media onderzoeken
Spinozalaureaat Eveline Crone (NWO)

 

Beter begrijpend lezen

Hoe kunnen we kinderen en volwassenen helpen om beter begrijpend te leren lezen? Paul van den Broek en zijn medewerkers in het Brain and Education Lab zoeken een antwoord door het lezen en de daaraan gekoppelde hersenactiviteit te onderzoeken.


Lezen is een zeer complex proces
Goed kunnen lezen is een essentiële voorwaarde om te kunnen leren. Zo'n 10 tot 15 procent van de Nederlandse bevolking heeft moeite met begrijpend lezen, oftewel: de inhoud van de tekst snappen. Hoogleraar Paul van den Broek doet daarom onderzoek naar het verband tussen begrijpend lezen en onze hersenen: wat gebeurt er in het menselijk brein terwijl we een tekst lezen? En, kunnen we, als we die processen in kaart hebben gebracht, mensen helpen

om beter begrijpend te leren lezen?

'Na jaren onderzoek moeten we concluderen dat we eigenlijk nog weinig begrijpen van wat er in het brein gebeurt tijdens lezen', vertelt Van den Broek. 'Voor elk onderdeeltje van lezen is een ander deel van de hersenen actief, dat weten we inmiddels wel.. Er is dus niet één gebied – of zelfs een paar gebieden – waar lezen ‘gebeurt’. Daarom proberen we steeds afzonderlijke delen van het proces te begrijpen, en die stukjes uiteindelijk aan elkaar te passen.'

Ruim 1 op de 10 Nederlanders heeft moeite met begrijpend lezen.

Ruim 1 op de 10 Nederlanders heeft moeite met begrijpend lezen.


Onderscheid in problemen bij begrijpend lezen
Van den Broek is hoofd van het Leidse Brain en Education Lab. In het onderzoek lezen kinderen en volwassenen stukken tekst, terwijl hun oogbewegingen en hersenactiviteit worden gemeten. Stukje bij beetje komt hij zo meer te weten over begrijpend lezen. 'We hebben inmiddels verschillende groepen kinderen weten te onderscheiden, die elk hun eigen probleem hebben. Als eerste is er een groep die zich op een paar hele specifieke zinnen richt als je hen de opdracht geeft om de inhoud van een tekst te begrijpen. In plaats van dat ze naar de hele tekst kijken, blijven ze dus op een klein stukje 'hangen'. Een tweede groep kijkt weliswaar in de tekst verder dan een paar specifieke zinnen, maar gaat daarbij naar andere zinnen die helaas minder relevant zijn om de tekst te begrijpen.

'Een derde groep zwakke lezers  proberen zinnen te begrijpen door ze te koppelen aan eigen ervaringen. Dat is op zich heel goed – dat doen goede lezers ook – maar daarbij gebruiken ze dan net de verkeerde associaties. Als je bijvoorbeeld leest over hoe het tandwiel op een fiets werkt, zal iemand die goed leest misschien denken: dat doet me denken aan de boot van mijn oom, die heeft ook een rad dat de boot voortstuwt. Een minder bruikbare associatie kan zijn: 'mijn oom heeft ook veel fietsen.' De eerste associatie helpt om het doel van de tekst, de werking van een tandwiel, te begrijpen. De tweede associatie niet.'

In de komende jaren hopen Van den Broek en zijn collega's voor deze specifieke groepen de hersenactiviteit te onderzoeken en te kunnen vergelijken. En die samen met andere vormen van leesgedrag worden in kaart te brengen.

 

Toepassing op scholen
De onderzoekers van het laboratorium staan in contact met scholen in binnen- en buitenland, om gevonden 'puzzelstukjes' toe te passen in het onderwijs. Zo leiden ze mensen op, die bij scholen aan de slag gaan met eerdergenoemde groepen kinderen en interventies plegen. 'Je ziet dat die interventies werken. We laten verschillende kinderen een stuk tekst lezen, en dan blijken de kinderen mét interventie de tekst beter te begrijpen dan kinderen die de tekst lazen zonder interventie. We zijn momenteel aan het onderzoeken of die kinderen die de interventie hadden, geleerd hebben hiervan en nu ook andere teksten beter zullen begrijpen.'

Bij het onderzoek lezen leerlingen een tekst in tweetallen. De kinderen die een interventie ondergaan stellen elkaar nauwkeurig voorgeschreven vragen. Het vraag- en antwoordgesprek blijkt begripsverdiepend te zijn.

Bij het onderzoek lezen leerlingen een tekst in tweetallen. De kinderen die een interventie ondergaan stellen elkaar nauwkeurig voorgeschreven vragen. Het vraag- en antwoordgesprek blijkt begripsverdiepend te zijn.

Efficiënter leren doorslapen

Jonge kinderen, pubers en studenten kunnen door slecht slapen problemen ondervinden bij het leren. Dr. Kristiaan van der Heijden onderzoekt, voor verschillende leeftijdscategorieën, slaapproblemen en oplossingen.


Slaap speelt een centrale rol in een mensenleven; we slapen in totaal gemiddeld 26 jaar. Tijdens die slaap vinden er in ons brein allerlei belangrijke processen plaats, waaronder herstel van beschadigde cellen, het wegspoelen van afvalstoffen en verwerking van informatie in het geheugen. Tien procent van de Nederlandse bevolking kampt met slaapproblemen: de wetenschap onderscheidt meer dan 80 verschillende slaapstoornissen. Kristiaan van der Heijden onderzoekt, bij kinderen volwassenen, storingen in de biologische klok en de gevolgen daarvan. Een van die gevolgen is een verminderd vermogen om te leren. Een paar 'slaap'-bevindingen voor verschillende leeftijden op een rijtje:


Tussen de 6 en 12
Van der Heijden ontdekte, samen met andere onderzoekers, onder meer dat kinderen tussen de 6 en 12 jaar oud met slaaptekort hiervan vooral last hebben bij planning en gedrag en het uitvoeren van meerdere taken tegelijk. 'Interessant: slaaptekort lijkt bij kinderen van deze leeftijd geen effect te hebben op het geheugen en het leervermogen, terwijl dat bij volwassenen wél zo is. Hoe dat komt, is onduidelijk. Misschien hebben kinderen dat lerend vermogen zó hard nodig, dat hun brein ook overdag goed informatie verwerkt.'

Van der Heijden ontdekte dat kinderen tussen de 10 en 12 jaar slechter presteren tijdens de vroege ochtend. 'Om half negen presteerden ze slechter bij het uitvoeren van complexe taken dan anderhalf uur later. Ook om één uur 's middags waren de prestaties beter dan half negen 's ochtends. Overigens hangen die prestaties misschien ook wel af van het temperament van kinderen, blijkt uit een van zijn andere onderzoeken. We keken naar de relatie tussen slaapduur en hoe goed kinderen testjes kunnen doen. Met name voor introverte kinderen blijkt lang slapen niet zo goed te zijn, ze presteren bij lang slapen slechter bij het uitvoeren van taken.'

Een mogelijke verklaring hiervoor is dat deze kinderen een hoog alertheids- en angstigheidsniveau hebben. 'Als je veel slaapt, is je gevoeligheid voor omgevingsprikkels nog veel groter. Kinderen met een hoge alertheid zijn al gevoelig voor omgevingsprikkels, een lange slaap heeft bij hen een 'dubbel' effect. Ze worden nóg alerter, waardoor ze zich moeilijk kunnen concentreren op het uitvoeren van taken.'


Pubers
Veel ouders zullen het probleem van de puber, die moeilijk uit bed komt, herkennen. 'Bij adolescenten verschuift het bioritme een uur later, dat heeft hormonale oorzaak', verklaart Van der Heijden. 'Die verschuiving vormt een probleem op sociaal-

maatschappelijk vlak, want ook al worden ze meer een avondtype, ze moeten vroeg opstaan voor school. Die biologische klok is wel aan te sturen door het aanbieden van licht. Als je moeite hebt met opstaan, is het het beste om in de vroege ochtend een fel licht, met een blauw spectrum, aan te bieden.' Een aanvullende tip van Van der Heijden: laat je puberende kind na een doorwaakte nacht met vrienden niet te lang doorslapen. 'Dan verschuift de biologische klok nog meer, en het is heel moeilijk om die klok weer 'terug' te schuiven.'

Pubers kunnen er niks aan doen dat ze ’s ochtends moeilijk wakker worden, het is hormonaal bepaald.

Pubers kunnen er niks aan doen dat ze ’s ochtends moeilijk wakker worden, het is hormonaal bepaald.


Studenten: prestaties lijden onder slechte slaaphygiëne
Van der Heijden toonde aan dat studenten die slechter slapen, slechtere cijfers halen. Dat komt onder meer omdat studenten niet bekend zijn met (on)gezonde slaapmethodes. ' Een groot misverstand is dat het goed is om te sporten vlak voordat je gaat slapen. Overdag bewegen is uitstekend, maar sporten vlak voor het slapengaan zorgt ervoor dat je systeem in de waakstand terechtkomt en juist alert is. Als je dat vaak doet, verschuift je biologische klok en kun je bijvoorbeeld moeilijker vroeg opstaan.'

Van der Heijden onderzoekt ook slaapproblemen bij baby's en ouderen. De komende tijd richt hij zich onder meer op de verbanden tussen slaapstoornissen en kinderen met psychische stoornissen, zoals ADHD.

 

Instituut Pedagogische Wetenschappen, afdeling Orthopedagogiek

Gamen op school

Hoe goed kinderen leren, is zeer afhankelijk van goede docenten en effectieve leermiddelen. Wilfried Admiraal doet onder meer onderzoek naar games als modern leermiddel. Voor zwakke leerlingen levert dit middel weinig op, concludeert hij.


Technologische middelen en leren
Wilfried Admiraal, hoogleraar Onderwijswetenschappen, onderzoekt onder meer de mogelijkheden van technologie om leerlingen én docenten beter te laten leren. Zo keek hij tijdens verschillende onderzoeksprojecten naar het leereffect van games die werden aangeboden in het voortgezet onderwijs. Bijvoorbeeld de mobiele game ‘Frequentie 1550’ die leerlingen met smartphones Amsterdam instuurt. Zo leren scholieren al wandelend door het Middeleeuwse centrum over de geschiedenis van die stad. Hij vergeleek deze games met 'reguliere' klassikale lessen, waarbij dezelfde lesstof in de klas door een leraar werd aangeboden.

Admiraal concludeert dat games als leermiddel een mixed blessing zijn. 'De leeropbrengst van games is hoger

voor goed presterende leerlingen', vertelt hij. 'Dat komt door het spelelement en het competitieve element. Maar voor slechter presterende leerlingen - en het is de hoop dat nieuwe leermiddelen nu juist voor deze groep voordeel met zich meebrengen - is die opbrengst er niet. Zij hebben meer baat bij een conventionele les, met een docent die een structuur aanbiedt. De 'losse' structuur van een game biedt hun te weinig houvast.' Dezelfde conclusie trekt hij voor andere technologische hulpmiddelen, zoals computerspellen waar je bijvoorbeeld rekenopdrachten kunt oefenen.

Niet alle soorten leerlingen hebben baat bij het leren van de lesstof via games. Bron: Waag Society 2007

Niet alle soorten leerlingen hebben baat bij het leren van de lesstof via games. Bron: Waag Society 2007


Leraren laten leren van leraren
Admiraal zet zich met zijn onderzoek ook in om docenten in het voortgezet onderwijs in hun taken te ondersteunen: hoe kunnen zij zo effectief mogelijk zijn? Een van de zaken die hij momenteel onderzoekt, zijn de problemen rondom het concept Professionele Leer Gemeenschap (PLG), een hot topic in de onderwijssector. Het concept gaat ervan uit dat docenten die allemaal op dezelfde school werken, veel kunnen leren van elkaars kennis en ervaring. 'Je onderwijs wordt zo niet alleen beter, je wordt ook beter als professional', vindt Admiraal. Hij is ook directeur van het ICLON - het Leidse universitaire centrum voor onderwijskundig onderzoek en opleiding van docenten - dat scholen begeleidt bij het opzetten en goed laten functioneren van PLG's.

Veel scholen worstelen met het opzetten en onderhouden van PLG's, blijkt uit onderzoek van promovendus Loes de Jong en onderzoek dat Admiraal zelf uitvoert, samen met het Kohnstamm-Instituut. De structuur van scholen en de structuur van het onderwijs belemmert de mogelijkheden van docenten om samen te komen. 'Docenten hebben simpelweg te weinig uren om dit voor elkaar te krijgen. Het grootste gedeelte van de tijd zijn ze bezig met lesgeven. Er blijft te weinig tijd over om als docentengroep bij elkaar te komen of om bij elkaar in de klas te kijken. Terwijl deze peer review juist zo'n belangrijk onderdeel is van een PLG. En als het docenten wél lukt om een eerste afspraak te maken, bloedt een initiatief door tijdsdruk dikwijls na een half jaar dood.'

Een tweede belemmering van de vorming van PLG's is dat docenten vaak weinig geloven in de kennisdeling met collega's. 'Veel leraren hebben behoefte aan kennis van buitenaf. Dat zit tussen de oren. Vaak krijgt het ICLON de vraag of wij over een bepaald onderwerp een lezing willen geven of een expert willen laten komen. Als wij dan zeggen: jullie vormen een groep en jullie zijn elkaars expert, dan gaat dat na een tijd toch niet goed.' Admiraal ziet een oplossing in academies, die op dit moment door steeds meer scholen worden gevormd. In die academies wordt door eigen leraren les gegeven aan collega’s, om te professionaliseren. 'Als scholen dat volhouden, zullen ze misschien inzien hoeveel kennis ze zelf in huis hebben.'

 

Interfacultair centrum voor lerarenopleiding, onderwijsontwikkeling en nascholing (ICLON)
Onderzoeksproject Professionele leergemeenschappen in het vmbo

Rechten van het zich ontwikkelende kind

Terwijl een kind leert, zich ontwikkelt en meer vermogens krijgt, verandert ook zijn rechtspositie. Hoogleraar kinderrechten Ton Liefaard werkt nauw samen met Leidse sociale wetenschappers om die groeiende vermogens, en de juridische implicaties daarvan, te verduidelijken in ons rechtssysteem. 'Ons denken over kinderrechten is nog heel inconsistent.'


Hoe meer een kind groeit, leert en zich ontwikkelt, hoe groter zijn vermogens worden om situaties in te schatten en beslissingen te nemen. Volgens het VN Kinderrechtenverdrag, geratificeerd door bijna elk land ter wereld, verandert hierdoor de rechtspositie van kinderen ten opzichte van hun ouders, artsen, en anderen. In de praktijk levert dit uitgangspunt nog 

veel vraagstukken op. Zo speelde in Alkmaar een rechtszaak rondom de vraag of een twaalfjarige jongen zelf mocht beslissen of hij chemotherapie zou ondergaan of niet. De jongen wilde dat niet, maar dat zou zijn overlevingskansen drastisch verminderen. Zijn vader stapte naar de rechter om behandeling af te dwingen. 'In het geval van de zaak in Alkmaar heeft de rechter gezegd: we mogen de capaciteiten van een kind om zelf te beslissen niet negeren, ook al pakt zijn beslissing voor sommigen onwelgevallig uit. Dát is ook volgens mij de kern van het VN Kinderrechtenverdrag.'

Hoeveel inspraak hebben kinderen bij hun eigen medische behandeling?

Hoeveel inspraak hebben kinderen bij hun eigen medische behandeling?


Rechtspositie van kinderen verbeteren
Ton Liefaard en zijn onderzoeksgroep onderzoeken onder meer hoe sterk de rechtspositie is van kinderen in verschillende landen; in hoeverre worden hun rechten erkend en in de praktijk gebracht? Liefaard: 'Zo hebben we een rapport gepresenteerd aan de Raad van Europa over de juridische positie van kinderen op biomedisch vlak. 'We zien in Europa grote verschillen, bijvoorbeeld in de juridische erkenning van transgender of intersekse kinderen. Ook gaan landen heel uiteenlopend om met de vraag in hoeverre kinderen mogen beslissen over medicatie of medische behandeling.'

In het rapport bieden de onderzoekers aanknopingspunten aan om bijvoorbeeld transgender en intersekse kinderen als groep erkend te krijgen, en richtlijnen die ervoor kunnen zorgen dat staten medische professionals kunnen ondersteunen. Het rapport dient om de agenda van de Raad van Europa voor de komende jaren vorm te geven.


Participatie
Niet alleen de rechtspositie van kinderen is in het geding. Vaak speelt in landen de vraag in hoeverre en hoe kinderen hun stem mogen laten horen tijdens lopende juridische procedures. 'Ons denken over dit soort onderwerpen is heel inconsistent. Zo vinden we in Nederland kinderrechten belangrijk, maar zodra een kind zou kunnen meebeslissen over een ethische beslissing met ingrijpende gevolgen – bijvoorbeeld over medische aangelegenheden – deinzen we vaak terug. En ook op 'kleinere schaal' kun je vraagtekens stellen bij juridische uitgangspunten. Zo mogen volgens de Nederlandse wet, tijdens een scheiding, kinderen boven de 12 hun stem laten horen bij de rechter. Maar waarom de wet die scheidslijn aanbrengt, is onduidelijk. Ook is het de vraag hoe rechten van kinderen in de dagelijkse realiteit worden gewaarborgd. Zo hebben kinderen bijvoorbeeld het recht om gehoord te worden over beslissingen tot jeugdhulp en kinderbescherming, maar hoe wordt hier in de praktijk vorm aan gegeven? Met ons onderzoek willen we die staande rechtspraktijk uitdagen en kijken of uitgangspunten kloppen.' Ook wordt het kinderrechtenonderzoek gebruikt om juridische professionals en maatschappelijk werkers te trainen, bijvoorbeeld in de context van het jeugdstrafrecht. Een recent, in Europees verband ontwikkelde training is een behoorlijk succes, zegt Liefaard. 'Ongeveer 1000 mensen uit 11 verschillende landen hebben er al gebruik van gemaakt. De training is ook in meerdere talen vertaald.'


Samenwerking met sociale wetenschappen
Een van de belangrijke onderliggende vragen bij het onderzoeken van kinderrechten, is in hoeverre kinderen in staat zijn om zelf beslissingen te nemen en om effectief te participeren in procedures en besluitvorming. 'Vaak onderschatten we de capaciteiten van kinderen', zegt hij. 'Daarom hebben we belang bij het onderzoek van onder meer Eveline Crone. Dankzij haar onderzoek, en dat van andere collega's binnen de faculteit Sociale Wetenschappen en de faculteit Rechtsgeleerdheid, weten we steeds meer over de ontwikkeling van kinderen en hun capaciteiten.'


Instituut voor Privaatrecht, afdeling Jeugdrecht
Meer over onderzoek Ton Liefaard
VN Kinderrechtenverdrag
Rapport Ton Liefaard voor de Raad van Europa
Training ‘Can Anyone Hear Me? – Child-friendly justice

Experts

  • Eveline Crone
  • Michiel Westenberg
  • Berna Güroğlu
  • Sabine Peters
  • Hanna Swaab
  • Paul van den Broek
  • Kristiaan van der Heijden
  • Christine Espin
  • Maartje Raijmakers
  • Marga Sikkema-de Jong
  • Wilfried Admiraal
  • Jacobiene Meirink
  • Nadira Saab
  • Sophie van Rijn
  • Dietsje Jolles
  • Judi Mesman
  • Mariëlle Bruning
  • Stephanie Rap
  • Ton Liefaard

Eveline CroneHoogleraar Neurocognitieve Ontwikkelingspsychologie

Topics: Adolescentie, cognitieve neurowetenschappen, hersenontwikkeling, sociale ontwikkeling

+31 (0)71 527 3681

Michiel WestenbergHoogleraar Ontwikkelingspsychologie

+31 (0)71 527 3628

Berna GüroğluUniversitair hoofddocent

Topics: Adolescenten, hersenen, leeftijdgenoten, neurowetenschappen, sociale besluitvorming, sociale relaties

+31 (0)71 527 1825

Sabine PetersUniversitair Docent

Topics: Adolescentie, alcohol, depressie, hersenontwikkeling, leren

+31 (0)71 527 1844

Hanna SwaabDecaan / Hoogleraar Neuropedagogiek en Ontwikkelingsstoornissen

Topics: ADHD, agressie, autisme, cognitieve ontwikkeling, gedragsproblemen, ontwikkelingsstoornissen

+31 (0)71 527 4003

Paul van den BroekHoogleraar Cognitieve en Neurobiologische Grondslagen van Leren en Doceren

Topics: Begrijpend lezen, cognitieve ontwikkeling, geletterdheid, leesonderwijs, leesstrategie, leesvaardigheid, lezen, tekstbegrip

+31 (0)71 527 3391

Kristiaan van der HeijdenOpleidingsdirecteur / Universitair hoofddocent

Topics: (Kinder)neuropsychologie, ADHD, agressie, biologische klok, executief functioneren, zelfregulatie, gedragsproblemen, lichttherapie; melatonine behandeling, ontwikkelingspsychopathologie, slapen

+31 (0)71 527 6628

Christine EspinHoogleraar Leerproblemen en Orthopedagogische Interventies in Onderwijs

Topics: Leerproblemen, leesvaardigheid, voortgezet onderwijs

+31 (0)71 527 6630

Maartje RaijmakersUniversitair hoofddocent

Topics: Cognitieve ontwikkeling, creativiteit, hersenontwikkeling, leerprocessen, rekenvaardigheid

+31 (0)71 527 3436

Marga Sikkema-de JongUniversitair docent

Topics: Cognitieve ontwikkeling, ontluikende geletterdheid, taalontwikkeling

+31 (0)71 527 3881

Wilfried AdmiraalDirecteur / Hoogleraar Onderwijskunde

Topics: Leren van docenten, onderwijs, voortgezet onderwijs

+31 (0)71 527 6081

Jacobiene MeirinkUniversitair docent

Topics: Onderwijs, professionele ontwikkeling van docenten, voortgezet onderwijs

+31 (0)71 527 6568

Nadira SaabUniversitair docent

Topics: Formative assessment, onderwijs, samenwerkend leren, voortgezet onderwijs

+31 (0)71 527 5726

Sophie van RijnUniversitair hoofddocent

Topics: Autisme, cognitieve ontwikkeling, hersengedrag model, klinefelter syndroom, psychofysiologie, sociale ontwikkeling, trixy

+31 (0)71 527 1846

Dietsje JollesAssistant Professor

Topics: Cognitieve ontwikkeling, hersenontwikkeling, rekenvaardigheid, werkgeheugen

+31 (0)71 527 6683

Judi MesmanHoogleraar Diversiteit in Opvoeding en Ontwikkeling

Topics: diversiteit, opvoeding, sensitiviteit

+31 (0)71 527 3482

Mariëlle BruningHoogleraar Jeugdrecht

Topics: Jeugdhulp, kinderbescherming, kindermishandeling, kinderrechten in Nederland, jeugdstrafrecht

+31 (0)71 527 8913

Stephanie RapUniversitair docent

Topics: Jeugdstrafrecht, kinderrechten, participatie van kinderen, ontwikkeling van adolescenten

+31 (0)71 527 3625

Ton LiefaardHoogleraar Kinderrechten

Topics: jeugdrecht, jeugdstrafrecht, justitiële jeugdinrichtingen, kinderrechten, participatie van kinderen / child law, juvenile justice, detention of children, participation of children, access to justice

+31 (0)71 527 6109

Onderwijs

Nadruk op de praktijk

Of het nu gaat om lerend vermogen van kinderen en pubers, of om goed onderwijs: masterstudenten aan de Universiteit Leiden zoveel mogelijk betrokken bij lopende onderzoeksprojecten. Zij gaan mee naar het laboratorium, gezinnen of naar het klaslokaal. De praktijkervaring die ze zo opdoen, is van onschatbare waarde, in welk beroep ze ook terechtkomen. De onderzoekers nemen hun nieuwste inzichten in leerprocessen uiteraard ook mee naar de collegezalen.

Outreach & nieuws

Nieuws

Agenda